Dauwtrappen en uitgaan


dauwtrappenJe kunt veel dingen doen op Hemelvaartsdag, als je maar eerst gaat dauwtrappen. Dat is traditie.

Een herkansing is mogelijk op Tweede Pinksterdag, want die zit in hetzelfde patroon van vertier buitenshuis. Voor die dag was in Drenthe de uitdrukking ‘pinkster houden’ of ‘pinksteren’ in zwang, aldus Gerrit Kuipers in “Vroeger Volksleven in Drenthe”.

Aan de andere kant van Nederland is de pret van Pinkstervierders beschreven door Justus van Maurik in ‘Amsterdam bij dag en nacht’. Zijn verslag speelt in 1862: ” ‘t Zijn echte ‘Pinksterblommen’ die volgens oud-Amsterdams gebruik op Pinkster-twee gaan toeren. Sedert onheuglijke jaren behoort het immers tot de genoegens van den minderen man, op dien datum, hoofdzakelijk in ‘de Meer’ een pleizierigen dag door te brengen.

Meestal worden zulke tochtjes ondernomen door gezelschappen van vrienden of bloedverwanten, die gedurende den winter ‘botje bij botje’ legden, om met de feestdagen het opgespaarde geld, soms zelfs vermeerderd door de opbrengst van voor die gelegenheid verpand huisraad of kleinoodiën, te verteren“.

Uitgaan op Pinkstermaandag is kennelijk van alle tijden en schier overal bekend. Hetzelfde geldt voor de Hemelvaartsdag. Adriaan Buter haalt er in zijn ‘Over-IJsselse Volksgebruiken’ de ‘Geldersche Volksalmanak’ uit 1858 bij (“in dorpen veel rumoer en spektakel. Tegen de avond was het halve dorp dronken”) en de ‘Overijsselsche Almanak’ van 1836 (“bij het ouderwetse dauwtrappen behoorde het meenemen van de jenever- of brandewijnfles”). Tot zover de historie. Uitgaan op beide christelijke feestdagen is vaste prik en alcohol hoorde erbij. Dat is vermoedelijk een reden geweest dat de drankbestrijders vroeger hun ‘Blauwe week’ in deze periode lieten beginnen.

Maar nu het dauwtrappen, dat vooral in de oostelijke helft van Nederland bekend is. Het heeft vele vormen aangenomen, van ‘Dauwtrapfeest’ in Deurningen (Twente), een toertocht-reünie van Fiat 500-autootjes en groepsgewijs wandelen of fietsen, tot een vroege dauwtrapexcursie met de boswachter met gezamenlijk ontbijt na. Het laatste betekent honderden mensen die tegen zes uur klaar staan om met Staatsbosbeheer mee te gaan.

Het kenmerk van dauwtrappen -het woord suggereert het al- is het bar vroeg op pad gaan. Sommigen maken echt een hele wandtocht naar een traditioneel doel, terwijl anderen de ontberingen per fiets doorstaan. In Twente waren Vasse, Nijverdal, Buurse of Ahaus ‘vaste’ bestemmingen, terwijl ik in Noord-Drenthe bijvoorbeeld Norg, Bakkeveen en oorden bij de Drentsche Aa als doel heb leren kennen. Vanouds was het bij fietsers gebruikelijk om een bosje bloeiende brem achter de koplamp te steken, als bewijs dat ze op pad waren geweest. Veel bremstruiken raakten zo in één dag gesloopt. Ik weet nog dat de vroegere ‘Natuurwacht’ hiertegen optrad met het ‘staande houden’ van overtreders en uitdelen van reprimandes

Het interessante aan de dauwtraptraditie is de oorsprong van dit gebruik. Het is een restant van een oeroud voorjaarsritueel, dat enigerlei vruchtbaarheid dient te bevorderen. Net als het liedje ‘Meiregen maakt dat ik groter wordt’ slaat het op de groeikracht en andere heilbrengende effecten van puur natuurwater in de lente. Eigenlijk moet de dauw met blote voeten getreden worden. En wat thans helemaal in het vergeetboek geraakt is: je moet dat voor zonsopkomst doen, plechtig en vooral zwijgend. Succes, volgend jaar.

Jan Tuttel
eerder verschenen in ‘t Nieuwsblad van het Noorden, 05 juni 2000

 

, , ,

  1. Nog geen reacties.
(wordt niet gepubliceerd)