Dorpszalen


Oud DorpscafeNiet eens zo heel lang geleden waren in een dorp van enige belang de school, de kerk, de molen, de melkfabriek, het gemeentehuis en het dorpscafé met zaal de voornaamste gebouwen. De kerk moet je wat ruim zien, het is meer ‘de kerkgebouwen’. Naast de opvallende dingspilkerken zijn er nog een aantal andere kerken, inclusief de kleinere evangelisatiegebouwtjes. Ze zijn nog in redelijke mate voorhanden. Met de rest is het minder geworden.

De melkfabrieken zijn weg, verscheidene molens zijn verdwenen en met de scholen wordt het ook minder en minder. Veel gemeentehuizen zijn al in andere handen overgegaan. Als de nieuwbouw in de nieuwe fusiegemeenten klaar is, wordt de rest ook ontruimd. Dan blijven de kerk en het café met zaal als enige steunpilaren uit het verleden over.

In de afgelopen halve eeuw kregen we daar als nieuwe pijlers voor het dorp, de dorpshuizen en sporthallen met kantine, voor terug. De dorpscafés, logementen en herbergen kregen na de invoering van de Drankwet van 1881 een beter gereglementeerd bestaan ‘met vergunning’. De lokaliteiten werden vergroot, zodat in de loop der tijden een groot deel van het maatschappelijk leven zich in deze dorpszalen ging afspelen. Harm Tiesing geeft een mooie opsomming van de gebruikers, van vergaderingen van aandeelhouders van de boterfabriek tot kerkeraad, kiesvereniging en toneelverenigingen. Belangrijke klanten werden ook de veefondsen, plattelandsvrouwen, boermarken en Groene Kruisverenigingen.

Later bouwden de kerken eigen verenigingslokaliteiten bij, of aan de kerk en kwamen er ook afzonderlijke Groene Kruisgebouwen. De gezondheidszorg en de geestelijke zorg verdwenen weer uit de cafézalen. De behoefte aan zalen bleef groot, temeer daar het verenigingsleven zich verder ontplooide naarmate de centrale rol van boermarken en de nabuurschap afnam.

Ook de groei van de ‘import’ leidde tot de oprichting van nieuwe clubs en organisaties. Meer activiteiten vroegen meer zaalruimte. In die behoefte gingen ook de dorpshuizen en de zalen ‘bij de kerk’ voorzien. Vooral organisaties die niet zaten te springen om de sfeer van ‘t dorpscafé, weken uit naar de nieuwe mogelijkheden. De oudere verenigingen bleven meestal trouw aan hun lokaliteit. De dorpszalen hielden daarom ook hun vertrouwde en bekende naam aan. Menig lezinghouder kon blindelings de ‘vanouds bekende’ dorpszalen vinden. Nieuwe uitbaters moesten een nieuwe naam vaak eerst nog koppelen aan ‘voorheen’ de oude naam. Waar dat niet gebeurde, vroeg de lezinghouder toch even ‘of hij hier goed was?’.

Tegenwoordig worden hoge eisen aan de zalen gesteld. De wettelijke voorschriften zijn strenger geworden, maar de zaalgebruikers zelf verlangen ook meer kwaliteit van de accommodatie en van de verzorging. Hier en daar blijken eigenaren van dorpszalen doof te zijn voor die geluiden, vooral als ze zo’n beetje de enige geschikte zaal ter plaatse exploiteren. Ze houden de prijzen te hoog of de kwaliteit van bediening, toiletten en dergelijke laat duidelijk te wensen over. Dan krijg je wat de laatste paar jaar in minstens drie dorpen is gebeurd: een aardverschuiving in het dorpsleven. De ‘vaste klant’-verenigingen besluiten een andere plek te zoeken. En als je eigen afdeling van de ‘Plattelandvrouwen/Vrouwen van Nu’ vertrekt, is er geen duidelijker signaal denkbaar!

Jan Tuttel
eerder verschenen in ‘t Nieuwsblad van het Noorden, 12 februari 2002

 

, , , , ,

  1. Nog geen reacties.
(wordt niet gepubliceerd)